Meerdaagse masterclass in Londen, 20-21 november: Je hebt nog 43 dagen, 6 uur, 0 minuten en 47 seconden om je aan te melden!

De beste instellingen voor straatfotografie (en wanneer ik zone focus gebruik)

Gepubliceerd op 2 oktober 2026

Op straat heb je zelden tijd om aan knoppen te draaien. Iemand stapt een deur uit, kijkt even om, en twee seconden later is het voorbij. Als je dan nog aan het scherpstellen bent, heb je een foto van een rug.

Mijn instellingen voor straatfotografie zijn daarom vooral bedoeld om de camera klaar te hebben voordat er iets gebeurt. Je stelt ze in voordat je de straat op gaat, of wanneer je ergens gaat staan wachten. Daarna wil je er eigenlijk niet meer aan denken.

Zwart wit foto van een fietser die scherp in beeld is tegen een door beweging onscherpe achtergrond, gemaakt tijdens een photowalk in Amsterdam
Meetrekken met een fietser tijdens een photowalk in Amsterdam: de fietser scherp, de stad erachter in beweging.

In dit artikel loop ik de instellingen langs die op straat verschil maken. Ook leg ik uit wanneer ik zone focus gebruik. Een korte versie van deze vuistregels staat op mijn straatfotografie checklist. Wil je eerst weten waar het naast techniek om draait, lees dan de vijftien lessen die ik pas na jaren leerde. Daar gaat het bijna nergens over knoppen. Dat is niet voor niets.

Sluitertijd: 1/250 seconde of sneller

Als ik er één instelling uit zou moeten kiezen, is het deze. Op straat beweegt alles. Mensen lopen, fietsen, draaien hun hoofd. En je staat zelf ook niet altijd stil.

Mijn vuistregel is minimaal 1/250 seconde. Dan bevries je een wandelaar zonder dat zijn voeten of handen uitsmeren. Gaat het sneller, met fietsers, rennende kinderen of iemand die vlak langs je loopt, dan is 1/500 of 1/1000 seconde geen overbodige luxe.

Bij minder licht is een tragere sluitertijd verleidelijk. Dan blijft je ISO tenminste laag. Ik zou het andersom doen. Een beetje ruis is bijna nooit een probleem. Een wazig gezicht wel.

Soms wil je juist beweging laten zien: mensen die als schimmen langs een stilstaande gevel lopen, of een fietser die je meetrekt. Dan kies je bewust voor een langere sluitertijd. Daar kom ik verderop op terug. Het verschil zit in die keuze. Je wilt die beweging zelf in je foto, in plaats van dat je camera een tragere sluitertijd kiest omdat het donker werd.

Diafragma: kies voor scherptediepte

Bij portretten wil je vaak een zo groot mogelijk diafragma, voor die zachte, onscherpe achtergrond. Op straat werkt het meestal andersom.

Daar wil je scherptediepte. Je hebt weinig tijd om precies scherp te stellen en de omgeving is vaak net zo belangrijk als de persoon. De gevel, de winkel, die tweede persoon op de achtergrond die precies de goede kant op kijkt: dat wil je kunnen zien.

Op mijn checklist staat f/4.5 of kleiner, dus een hoger getal. Voor de meeste situaties zit je goed tussen f/5.6 en f/8. Overdag met genoeg licht is f/8 een prima startpunt. Wordt het donkerder, dan schuif je richting f/5.6 of verder open. Je neemt dan wat minder scherptediepte voor lief.

Een kleiner diafragma is ook vergevingsgezind. Sta je er een halve meter naast met je scherpstelling, dan valt dat bij f/8 vaak nog binnen het scherpe gebied. Bij f/2 is je foto dan mislukt.

ISO en auto ISO

ISO zo laag als kan, staat op mijn checklist. Dat klopt, maar op straat betekent "zo laag als kan" iets anders dan in een studio. Je ISO komt als laatste. Eerst kies je een sluitertijd die snel genoeg is en een diafragma dat genoeg scherptediepte geeft. Wat je daarna aan ISO nodig hebt, is wat het is.

Daarom is auto ISO op straat zo handig. Je zet je camera op handmatig of op diafragmavoorkeur, kiest je diafragma en laat de camera de ISO regelen. Stel daarbij een minimale sluitertijd in. Bij de meeste camera's kan dat in het menu van auto ISO. Zet die op 1/250 seconde, dan verhoogt de camera eerst de ISO voordat hij een tragere sluitertijd kiest.

Stel ook een maximale ISO in waar je mee kunt leven. Moderne camera's kunnen veel hebben, zeker in zwart wit. Daar leest ruis eerder als korrel dan als storing.

Ik werk zelf met een Fujifilm X100V, een compacte camera met een vaste lens. Hoe auto ISO precies werkt, verschilt per camera en per merk. Zoek het dus even op in het menu van je eigen camera. Een kwartier zoeken scheelt je daarna op straat heel veel gedoe.

Handmatig, diafragmavoorkeur of automatisch?

Welke stand je kiest, maakt minder uit dan je zou denken. Als je maar weet wat de camera voor je beslist.

Handmatig met auto ISO werkt op straat heel voorspelbaar. Je zet zelf je sluitertijd op 1/250 en je diafragma op f/8. De camera regelt alleen de ISO. Zo weet je dat je beweging bevriest en dat je scherptediepte klopt. Loop je van de zon de schaduw in, dan past de camera zich aan zonder dat jij iets hoeft te doen.

Diafragmavoorkeur werkt ook prima, zolang je in het menu van auto ISO die minimale sluitertijd hebt ingesteld. De camera kiest dan de sluitertijd, maar nooit trager dan jij hebt bepaald.

De volledig automatische stand is niet verboden. Alleen kiest de camera dan soms een trage sluitertijd of een groot diafragma. Daarmee verlies je de twee dingen die je hierboven bewust hebt ingesteld. Ik zou die stand gebruiken om mee te beginnen en hem daarna zo snel mogelijk loslaten.

Zone focus: wanneer ik het gebruik

Dan het onderdeel dat in bepaalde situaties voor mij het meeste verschil maakt. Veel mensen zien ertegen op omdat het technisch klinkt. Dat valt mee.

Bij zone focus stel je niet scherp op een persoon, maar op een afstand. Je zet je camera op handmatig scherpstellen en draait de scherpstelling naar ongeveer 3 meter. Met een diafragma van f/8 en een brandpunt van 28 of 35mm is dan grofweg alles tussen twee en vijf meter acceptabel scherp. Hoe groot die zone precies is, hangt af van je camera, je lens en hoe streng je bent. Maar die richting klopt.

Alles wat in die zone gebeurt, is dus scherp. Je hoeft niet te wachten tot de autofocus iets vindt of te kiezen op welk gezicht hij moet scherpstellen. Je ziet iets, tilt je camera op en drukt af.

Daarom gebruik ik het. Het haalt een stap weg tussen zien en fotograferen. Op straat is dat de stap waar het het vaakst misgaat. Autofocus is snel, maar kiest soms net het verkeerde. Een zone kiest niet, die is er gewoon.

Je moet er wel afstanden voor leren schatten. Drie meter is ongeveer twee grote stappen plus een arm, of de breedte van een gemiddelde stoep plus een stukje. Een oefening die helpt: stel scherp op drie meter en loop door een straat. Schat bij iedereen in of die in je zone loopt. Na een paar keer gaat dat vanzelf.

Een fijne bijkomstigheid: je hoeft je camera niet eens voor je oog te houden. Omdat de scherpte al vastligt, kun je ook vanaf je borst of heup fotograferen. Of je dat wilt, is aan jou. Ik vind het prettig dat het kan.

Wanneer autofocus wel handig is

Zone focus is geen religie. Ik denk dat ik 80% van de tijd met autofocus werk. Ik neem de tijd. Er zijn momenten waarop autofocus gewoon beter werkt.

Als je onderwerp niet in je zone staat, bijvoorbeeld. Iemand op tien meter afstand, of juist heel dichtbij, voor een meer portretachtige straatfoto. Ook als het donker wordt en je je diafragma ver moet openen, is autofocus handig. Bij f/2 is je scherptediepte zo klein dat zone focus nauwelijks nog werkt.

Heb je de tijd, dan is autofocus ook prima. Sta je bij een decor te wachten tot iemand in een lichtvlek stapt, dan kun je vooraf op die lichtvlek scherpstellen. Dat is eigenlijk een mengvorm: je gebruikt de autofocus om je zone te bepalen en laat de scherpstelling daarna staan.

Werk je met autofocus, kies dan een klein scherpstelpunt dat je zelf plaatst, of een stand die gezichten herkent. Een groot automatisch veld stelt op straat net zo vaak scherp op een lantaarnpaal als op een mens.

Belichtingscompensatie bij tegenlicht

Je camera meet het licht en probeert alles netjes grijs te maken. Meestal gaat dat goed. Bij tegenlicht, of bij een fel verlichte muur naast diepe schaduw, gaat het vaak mis.

De schaduw wordt middengrijs en het licht brandt uit. Met belichtingscompensatie stuur je bij. Wil je silhouetten tegen een lichte achtergrond? Of moet een lichtvlek echt licht blijven en de rest donker worden? Dan zet je de belichtingscompensatie op min één of zelfs min twee stops.

Andersom geldt het ook. Een witte muur, sneeuw of een fel verlichte etalage kan je camera verleiden om alles te donker te maken. Dan zet je de belichtingscompensatie juist een stapje in de plus.

Kijk na een paar foto's op je scherm of je histogram. Je hoeft niet elke foto te controleren. Bij een nieuwe lichtsituatie is één blik genoeg om je instelling te checken.

Fotografeer in RAW

Dit is misschien de makkelijkste instelling van allemaal: zet je camera op RAW. Of op RAW en JPEG tegelijk, als je de JPEG's van je camera mooi vindt.

Een foto in RAW bevat veel meer informatie. Daarmee kun je een foto die net iets te donker of te licht is nog redden. Je kunt achteraf de witbalans aanpassen. Ook kun je een kleurenfoto later in zwart wit omzetten, met veel meer controle dan bij een JPEG.

Op straat heb je niet altijd tijd voor de perfecte belichting. RAW geeft je wat ruimte als je het net niet helemaal goed had. Ik bewerk mijn foto's zelf in Capture One, maar elk bewerkingsprogramma kan met RAW overweg.

Meetrekken: de fietser op de foto

Bij dit artikel staat een foto van een fietser die scherp is, terwijl de achtergrond in strepen voorbij trekt. Dat heet meetrekken. Ik vind het een van de mooiste uitzonderingen op de 1/250 regel.

Je kiest een tragere sluitertijd. Ik gebruik zelf altijd 1/15 seconde. Volg je onderwerp met je camera, met dezelfde snelheid als waarmee het beweegt. Op het moment dat het voor je langskomt, druk je af. Blijf meedraaien, ook nadat de sluiter dicht is. Draai vanuit je heupen, niet alleen vanuit je armen.

Omdat jij en je onderwerp even snel bewegen, blijft het onderwerp redelijk scherp. Alles wat stilstaat, smeert uit tot strepen. Hoe trager je sluitertijd, hoe sterker dat effect. En hoe meer foto's mislukken.

Dat hoort erbij. Meetrekken is een kwestie van veel proberen. Een fietser is een dankbaar onderwerp, omdat die in een rechte lijn en met een redelijk constante snelheid beweegt. Ga bij een fietspad staan, kies een plek met een drukke achtergrond en geef jezelf een kwartier.

Een spiekbriefje met instellingen voor straatfotografie

Je hoeft dit niet allemaal te onthouden. Hieronder staan een paar startpunten. Geen wetten, wel instellingen waarmee je meteen de straat op kunt. Bij alle drie ga ik uit van RAW, zone focus op ongeveer 3 meter en de laagste ISO die past.

Zonnige dag

  • Sluitertijd: 1/500 seconde of sneller
  • Diafragma: f/8, of f/11 in fel licht
  • ISO: de laagste stand van je camera
  • Let op: belichtingscompensatie naar min bij harde schaduwen

Schaduw, of een straat tussen hoge gebouwen

  • Sluitertijd: 1/250 seconde
  • Diafragma: f/5.6
  • ISO: auto ISO, met 1/250 als minimale sluitertijd
  • Let op: zone focus wordt bij f/5.6 iets krapper, dus schat je afstand wat preciezer

Bewolkt

  • Sluitertijd: 1/250 seconde
  • Diafragma: f/5.6 tot f/8
  • ISO: auto ISO, met 1/250 als minimale sluitertijd
  • Let op: zacht licht is mild, maar kan vlak ogen, zeker in kleur

En dan vergeet je ze weer

Het mooiste aan goede instellingen is dat je er na een tijdje niet meer aan denkt. Je zet je camera klaar, loopt de straat op en bent alleen nog bezig met kijken. Daar was je uiteindelijk voor naar buiten gegaan.

In mijn workshops straatfotografie gaan we daarom snel de straat op. De uitleg krijg je onderweg. Met een lens met een vast brandpunt tussen 28 en 50mm zit je goed. Met je telefoon kun je ook mee. In de workshop conceptuele straatfotografie krijg je bovendien De Straatfotobijbel erbij, met 101 tips en opdrachten om thuis mee verder te gaan.

Wil je liever in je eigen tempo aan je instellingen werken? Plan een workshop één op één in een stad die jij kiest. We beginnen met koffie en fotograferen daarna allebei, zodat je ziet hoe het in de praktijk werkt.

← Alle artikelen

Inschrijven voor mijn nieuwsbrief

Schrijf je snel in en ontvang gratis mijn e-book met 5 onmisbare tips voor straatfotografie!